In 1978 componeerde Morton Feldman 'Why Patterns?', een eerste van drie stukken voor fluit, piano en glockenspiel. In deze zeldzame instrumentale combinatie heeft elk instrument een zeer gedefinieerde klankidentiteit en fysieke speelwijze. Feldman speelt hierop in door elk van de musici eigen karakteristieke motieven toe te bedelen. Paradoxaal genoeg horen we deze totaal geëmancipeerde patronen samensmelten tot een harmonieus klinkend, psychedelisch klankuniversum. Ook de manier waarop Feldman omgaat met de tijd werkt deze bedwelming in de hand. Ook al zijn de afzonderlijke stemmen ritmisch bijzonder accuraat genoteerd, zijn ze, behalve in de eindfase van het werk, ongecoördineerd. In deze vrije temporele ruimte ontmoeten de stemmen elkaar slechts per toeval.
Het Collectief vroeg aan twee componisten, die beide een sterke affiniteit hebben met Feldmans werk, om nieuw werk te schrijven voor dezelfde unieke bezetting.
David Fennessy (IRL - °1976) over zijn muziek: “Ik weet niet zeker of er een consistente onderzoekslijn door mijn werk loopt. Elk stuk is zijn eigen kleine universum met zijn eigen techniek, taal, regels, problemen en oplossingen.” Eén van zijn recentere werken: 'Panopticon' (2019) voor cimbalon en strijkers, raakte de gevoelige snaar bij Het Collectief omwille van een grote klanksensibiliteit en een vrije en zeer originele benadering van de fysieke eigenheid van het instrumentarium.
Over het nieuwe werk van Jean-Luc Fafchamps (B - °1960) weten we intussen al meer: het werk ging immers vorig seizoen al in première in Tilburg (NL). Zowel bij het publiek als bij onszelf viel 'For Morton Feldman' heel erg in de smaak. Fafchamps slaagt er in de eenvoudige Weberniaanse patronen waaruit Feldmans muziek opgebouwd is te transformeren tot bouwstenen voor een groot aantal stijlen en vormen die, ondanks hun schijnbare onverenigbaarheid, samen een coherent en volstrekt origineel geheel vormen. Fafchamps vindt als het ware de muziek opnieuw uit door bestaande stijlen te manipuleren.
Voor de visuals zijn we gaan aankloppen bij Klaas Verpoest (B - °1975) die eerder al instond voor prachtige projecties bij onze eerdere Feldman-concerten.
Het Collectief
Toon Fret, fluit
Thomas Dieltjens, piano
Anita Cappuccinelli, percussie
Klaas Verpoest, video (optie)
Concertkalender
2026.02.19 Conservatoire Royal de Mons (B)
2026.03.07 Kortrijk Festival (B)
2026.04.16-19 New Music Festival Dublin (IRL)
2026.05.27 Tivoli Vredenburg Utrecht (NL)
2026.10.11 Moderne Muziek Nijmegen (NL)
Jean-Luc Fafchamps
FOR MORTON FELDMAN (VAV)
voor piano, fluit(en) en slagwerk (vibrafoon, klokkenspel en tamtam)
Hoewel ik talloze malen Feldmans muziek op de piano heb gespeeld, en daar telkens een diep, bijna meditatief genot aan heb ontleend, bekroop me vaak de gedachte dat zijn unieke stijl geen opvolging duldt. Zijn late werken onttrekken zich immers aan iedere norm: de buitensporige duur, de aanhoudende zachtheid, de zachte maar vasthoudende herhaling, de glijdende resonanties en de radicale abstractie maken ze tot iets dat zich niet laat gebruiken als uitgangspunt zonder te verzanden in imitatie of pastiche — en dat is het laatste wat zulke muziek verdient. Toch ben ook ik, net als Feldman zelf, niet immuun voor een ommekeer.
Een ommekeer… Het verhaal is bekend. In 1970 keerde de schilder Philip Guston (1913–1980), icoon van de New Yorkse abstractie, terug naar de figuratieve schilderkunst. Feldman, die niet alleen bevriend was met Guston maar ook een hartstochtelijk liefhebber was van abstractie, voelde zich verraden en verbrak voorgoed het contact. Tien jaar later echter, bij Gustons dood, begon hij diens stap te begrijpen. Hij bood zijn verontschuldigingen aan — postuum — in de vorm van een monumentaal werk van ruim vier uur: For Philip Guston (1984), voor piano (met celesta), fluit(en) en slagwerk (vibrafoon, buisklokken, klokkenspel en marimba). Een laat eerbetoon, een soort muzikale handreiking over de dood heen.
En toch… Hoe uitzonderlijk ook in lengte en intensiteit, dit werk blijft geheel trouw aan de abstracte geboden van Feldmans stijl. En dáár zag ik een kier, een opening. Een uitnodiging om zelf te antwoorden. Om Feldman te beantwoorden door op zijn schrijfwijze het figuratieve, het narratieve, het geëngageerde toe te passen — precies datgene wat Guston in 1970 had gedaan in de schilderkunst.
Stel je dit voor: een materiaal dat Feldman zelf niet zou hebben afgewezen — grote septiemen en kleine nonen, ontleend aan Webern, zorgvuldig geordend, pianissimo, een grondfiguur badend in resonantie, onderbroken door stiltes van wisselende lengte.
Maar wat als we die zes tonen niet behandelen alsof ze slechts het patroon van een tapijt vormen dat eindeloos herhaald moet worden — met slechts wat ambachtelijke variaties — maar ze laten afwijken, verstoren, zich laten doordringen door vreemde invloeden, alsof er een verhaal in schuilgaat? Wat als we ongelukken toelaten, nuances die verwaaien, tempowisselingen, chromatische vervormingen, verschuivingen tussen dissonantie en bijna-consonantie? Wat blijft er dan overeind van Feldmans beschouwingen over tijd, vorm (bij hem altijd opgebouwd uit naast elkaar gelegde oppervlakken) en metafysica? Wat gebeurt er als je in zijn verstilling een zweem van onderdompeling giet?
For Morton Feldman is zo’n spiegel-in-een-spiegel: een antwoord aan de oude vriend, via Guston, met een bezetting die sterk lijkt op die van hun eigen muzikale ontmoeting. Wat de duur betreft heb ik het gehouden bij vijfentwintig minuten — al sluit ik niet uit dat ik ooit opnieuw de panoramische uitgestrektheid zoek. Is dit heiligschennis, of juist een bron van vreugde? Wat maakt het uit. Ik wil deuren openen naar nieuwe stijlen. De liefde drijft mij voort, geen enkel respect houdt mij tegen.
DAVID FENNESSY
Bones for piccolo/ alto flute, piano and percussion (2026)
I. Paddy Moloney
II. Bones
Bones is related to another recent work of mine Blood, in so much as it utilises an existing performance of a piece of music which I then stretch on the computer to draw out the harmonic and melodic implications. In this case, the starting point was a performance of the tune ‘The Lark in the Clear Air’ on tin whistle by the legendary Paddy Moloney. The joy, energy and blinding, bright light of that performance is reflected in the short first movement of Bones.
The second movement, three times as long as the first, is a decay or deconstruction or perhaps even a coda to the first. Basic tones on flute, piano and percussion are split, like an atom and their tiny intricacies examined, under the microscope as it were. Underpinning it all is a stretched out single cadence from a very old choral work of my own. The text being sung is the word ‘dreoite’ in Irish, meaning ‘dry’ or ‘withered’.



